11 April 2010

Voetbalmatch

3512-3
Slapen is voor watjes. Overdag klussen we ons nieuwe huis naar de absolute perfectie, ’s nachts haal ik mijn deadlines met een paar borrels erbij. Elke fles die ik tijdig leeg krijg hoeft immers niet meer verhuisd.
Om niet volkomen van de wereld vervreemd te raken, probeer ik ’s avonds nog een beetje onder de mensen te komen. Het maakt me niets uit wie er belt met een goed voorstel: ik wil overal naartoe met iedereen. Zo vond ik mezelf woensdagavond terug in stadion Galgenwaard, bij de wedstrijd FC Utrecht – Groningen. Op het topdoelpunt van Mulenga na was het een krachtmeting die ik goed had kunnen missen, maar het even deskundige als humane commentaar van de supporters maakte alles goed. Zo hoorde ik onder andere het advies: ‘Hij moet de bal in zijn voet schieten.’
Ik ga hooguit een paar keer per jaar naar FC Utrecht, meestal wanneer mijn goede vriend Rienk een kaartje over heeft. Net als Rienk kom ik vooral voor het ervaren van de grote, massale emoties die voetbal teweeg brengt. Er is iets bijzonders aan een stadion vol mensen. Het voelt goed om met zijn allen ergens voor te zijn, of tegen. Het is mooi om met ruim twintigduizend anderen tegelijk op te springen en zo hard te schreeuwen als je kunt, naar je hoofd te grijpen, machteloos boos te zijn, opgelucht, bedroefd – en te weten dat iedereen om je heen op dat moment hetzelfde voelt. In een stadion is alles groter: het licht is feller, het gras is groener, en alle supporters smelten samen tot een grote, stampende mensenzee – als een ontelbaar aantal spreeuwen die tegen de schemering in één grote vliegende wolk veranderen.
Verstand van voetbal zal ik nooit krijgen, maar ik zal altijd een paar keer per jaar naar stadion Galgenwaard willen. Omdat het gezond is om je af en toe eens lekker collectief op te winden over tweeëntwintig mannetjes die achter een bal aanrennen. Omdat sport op de televisie zich verhoudt tot de echte wedstrijd als een briefkaart tot een landschap. Omdat voetbal een van de laatste evenementen is waar werkelijk alle leeftijden, rangen en standen door elkaar zitten – zo leer je je stad pas echt kennen. Maar vooral omdat je onmogelijk Utrechter kunt zijn als je de Bunnikside nog nooit hebt horen zingen.
[Sleeker_special_clear]